"Tussen loyaliteit en vrijheid", in P.M. Den Haag, 19 juni 2003.
Print dit artikel
‘Zeggen wat je denkt, en doen wat je zegt.’ Pim Fortuyn had een hoop gevleugelde uitspraken, maar deze sloeg wel het meest aan. De falende beleidsuitvoering van de BV Nederland wordt ermee op de korrel genomen. Ook legt deze volzin de gapende kloof tussen verkiezingsbeloften en regeringscompromissen in ons polderland bloot. Verder wordt de vinger op de zere plek gelegd bij de vele politici die straattaal niet machtig zijn en zich hulpeloos voor de camera uitdrukken in hun Binnenhofse Bargoens. Tenslotte kapittelde Fortuyn met zijn lijfspreuk de bangigheid van zittende machthebbers. De klassieke politici van het ancien regime zeiden volgens hem immers bijna nooit wat ze dachten.
Uiteraard is het zeer de vraag of de paarse politici inderdaad zo ongekwalificeerd waren als Fortuyn ons met zijn slogan deed geloven. Maar feit is dat sinds de opkomst en ondergang van de Rotterdamse politicus ‘zeggen wat je denkt’ in opmars is. Taboes hebben hun nut verloren en vrijuit spreken geldt als het hoogste goed. Zeg maar wat je op je lever hebt, ook als anderen dat onwelgevallig is, zo luidt het parool. De vrijheid van meningsuiting is vandaag de dag niet alleen louter een recht, maar zelfs een deugd geworden, zeker als het gecombineerd wordt met welbespraaktheid. De nukkige Nederlanders als debater, wie had dat ooit gedacht?
Toch zijn er tenminste drie beroepsgroepen die hun vrijheid van meningsuiting vrijwillig beperken. Politici, lobbyisten en voorlichters kunnen niet vrijuit spreken. Zij verkondigen immers in mindere of meerdere mate het woord van anderen. Terwijl de tijdsgeest afkoerst op een expressionistisch reveil, tart dit trio het lot door zich zelf de mond te snoeren. Politici committeren zich aan fractiediscipline, de geheimhouding van de ministerraad of de partijkoers. Zelfs Fortuyn moest dat ondervinden toen hij zei het niet zo nauw te nemen met het verkiezingsprogramma van Leefbaar Nederland. Lobbyisten worden ingehuurd om overtuigend het standpunt uit te venten van hun broodheren. En voorlichters worden in dienst genomen om de buitenwereld met één mond en een positief verhaal tegemoet te treden.
Hoewel politici, lobbyisten en voorlichters vaak in niets op elkaar lijken, delen ze toch hun bereidheid om niet altijd te zeggen wat ze zelf denken, maar te melden wat een ander denkt. Van wezenlijk belang hierbij is de mate waarin ze invloed hebben op de boodschap die ze verkondigen. Van het drietal heeft de politicus uiteraard de meeste invloed op zijn eigen verhaal. Politici schrijven mee aan verkiezingsprogramma of regeerakkoord en debatteren in fractiekamer of Trêveszaal over het in te nemen standpunt. Maar als de meerderheid of fractievoorzitter het anders zien, zullen ze toch iets moeten verkopen dat niet helemaal strookt met hun eigen opvattingen.
Lobbyisten hebben de minste invloed op de boodschap die ze gaan verkondigen. Ze worden in de regel pas ingehuurd nadat een organisatie of bedrijf haar standpunt heeft ingenomen. Nederland moet aan de JSF, zo vindt de Amerikaanse vliegtuigbouwer, en daarom huurt ze lobbyisten in die dat overtuigend kunnen uitleggen aan parlementariërs. Advocaten en zaakwaarnemers zijn ook lobbyisten. Als een advocaat een strafzaak heeft aangenomen, zal hij in de rechtszaal alles doen dat in het belang is van zijn cliënt. Persoonlijke overwegingen over schuldvraag en strafmaat zijn niet aan de orde. De zaakwaarnemer poogt het beste contract in de wacht te slepen voor Patrick Kluivert of Anouk, ook al luistert hij liever naar andere muziek en was hij altijd al voor de concurrerende voetbalclub.
Waar politici nog redelijk wat invloed hebben op de te verkondigen boodschap, en lobbyisten pas komen kijken als die boodschap vaststaat, nemen voorlichters een ongemakkelijke tussenpositie in. Ze werken al voor een overheidsorganisatie of bedrijf en zijn dus aanwezig als de standpunten worden ingenomen. Misschien mogen ze nog wat adviseren, maar uiteindelijk zijn het de bewindspersonen of leden van de Raad van Bestuur die het standpunt innemen. Een politicus moet zich misschien neerleggen bij een meerderheidsstandpunt, maar hij heeft mee kunnen beslissen. En een advocaat, zaakwaarnemer of lobbyist kan een zaak of cliënt weigeren. Maar een voorlichter kan geen van beide.
De mate van invloed op de te verkondigen boodschap is paradoxaal genoeg omgekeerd evenredig aan de mate van loyaliteit. Waar de lobbyist de minste invloed heeft op de mening die hij uitdraagt, is hij er wel uiterst loyaal aan. En de politicus die zelf mee heeft gedaan aan de besluitvorming van zijn partij, fractie of bestuur wil de vrijheid van meningsuiting nog wel eens laten prevelaren boven loyaliteit. Zie het liberale Tweede-Kamerlid Jan-Dirk Blaauw, die begin deze maand liet weten nooit overtuigd te zijn geweest van nut en noodzaak van de Betuwelijn. Toch stemde hij in 1995 voor, anders ‘had ik mijn portefeuille moeten inleveren’, zo vertelde hij onlangs tegen de Volkskrant. Zijn PvdA-collega Rob van Gijzel liet al eerder blijken er nog wel eens een andere mening op na te houden dan zijn fractiegenoten, iets dat hem uiteindelijk het pluche kostte. Kennelijk is voor politici dissidentie achteraf geoorloofd, maar op het moment suprème uit den boze.
Wederom bevindt de voorlichter zich in een ongemakkelijke middenpositie. Terwijl enige eigengereidheid bij de politicus wordt gewaardeerd, wordt bij de voorlichter absolute loyaliteit ten opzichte van de te verkondigen boodschap verwacht. En een keertje overslaan, zoals de lobbyist kan, mag niet. Voorlichters worden geacht loyaal te zijn aan meningen die ze niet zelf vormgeven. Wie dat niet aan kan, deugt niet voor zijn werk, zo luidt de stelregel onderling. Een persoonlijk profiel, zoals het lidmaatschap van een politieke partij, wordt tussen de collega’s onderling vaak met afkeuring bejegend. Maar is persoonlijke meningsvorming geheel uit te vlakken? Het lijkt mij een mythe, die voortkomt uit de hoge ambities die zo kenmerkend zijn voor het vak.
Om de spanning tussen enerzijds de vrijheid van meningsuiting en anderzijds het verkondigen van het woord van een ander te verlichten, kunnen voorlichters iets van de andere beroepsgroepen opsteken. Ten eerste moet men zich vooraf committeren aan de boodschap, net als de lobbyist en politicus. Ook al geeft een lobbyist persoonlijk zijn belastinggeld liever uit aan iets anders dan de JSF of weet de advocaat dat de verdachte wel degelijk een moord heeft gepleegd, toch zegt hij van tevoren hun belangen te behartigen. Die instemming vooraf verklaart een groot deel van de loyaliteit daarna. Als hij vermoedt wroeging te krijgen, zal hij de zaak niet accepteren en de milieuvervuilende oliemaatschappij of gewetensloze verkrachter verwijzen naar een collega.
Ook de politicus doet aan commitment vooraf. In de constituerende vergadering van de ministerraad beloven alle deelnemers trouw aan het regeerakkoord. En bij de vaststelling van een kandidatenlijst zeggen de volksvertegenwoordigers in spe het eens te zijn met het verkiezingsprogramma. Bij beide gelegenheden kan men een minderheidsstandpunt innemen. Zo kan een links Kamerlid bedingen later tegen een uitbreiding van de euthanasiewet te stemmen en kan een rechts Kamerlid aangeven zich van stemming te zullen onthouden bij het wetsvoorstel dat twee gedetineerden op een cel zet. Uiteraard is het ondoenlijk en ook onwenselijk om een voorlichter te vragen in te stemmen met elk standpunt van minister of bedrijf dat hij aan de media moet melden.
Maar het is wel een goede zaak om bij indiensttreding van woordvoerders stil te staan bij bedrijfsfilosofie, regeerakkoord of bestuursprogramma. De voorlichter hoeft zich niet persoonlijk te committeren aan alle details, maar mag wel gevraagd worden of hij zich kan vinden in of neerleggen bij de grote lijnen. Het gaat om de vraag of hij het woord kan voeren namens een ander zonder wroeging te voelen. Wat dat betekent, is een individuele aangelegenheid. De ene voorlichter zou nooit voor het CDA of Milieudefensie gaan werken als hij niet gelovig was of begaan met het milieu. Maar zijn collega heeft daar geen moeite mee. Het gaat erom dat er vooraf aandacht is voor de aard van de boodschappen waarmee de voorlichter op pad wordt gestuurd.
Het tweede wat de voorlichters van lobbyisten en politici kunnen leren betreft de mythe dat de voorlichter zijn eigen mening ten alle tijden voor zich moet houden en louter andermans verhaal dient te vertellen. Waar is dat goed voor? Uiteraard is het uit den boze als een voorlichter de officiële uitleg van bijvoorbeeld het beleid om carpoolstroken aan te leggen laat volgen door een persoonlijke tirade tegen dat fenomeen. Maar wat is er mis mee als voorlichters hun vrijheid van meningsuiting elders etaleren? Laat ze columns schrijven in verenigingsblaadjes, de kranten bestoken met opiniestukken en debatteren op de algemene ledenvergadering van hun belangenorganisatie of politieke partij.
Het is aan te bevelen dat voorlichters, wiens werk draait om het geschreven en gesproken woord, ook persoonlijk affectie hebben met het uiten van meningen. Nu wordt dat vaak angstvallig vermeden. Het zou kunnen botsen, wordt dan gezegd. Maar dat is grootheidswaanzin. Bij politici geldt inderdaad dat spreken op persoonlijke titel niet werkt. Een ingezonden brief van ene J.P. Balkenende uit Capelle aan de IJssel over die eeuwige files levert een probleem op voor de minister van Verkeer en Waterstaat. Maar waarom zou een bezorgde autorijder die in het dagelijks leven voorlichter is op het ministerie van OC en W zo’n brief niet kunnen schrijven? Voorlichters moeten zich bewuster zijn van hun eigen mening en de mogelijkheden om die te uiten.
Omar Ramadan schreef dit artikel op persoonlijke titel. Hij is voorlichter bij de Algemene Rekenkamer en wordt per 1 september senior adviseur bij het Amsterdamse adviesbureau, Radar. Van 1997 tot 1999 was Ramadan voorzitter van de Jonge Socialisten en tot 2001 was hij lid van het landelijk partijbestuur van de PvdA.
Tussenzinnen:
Kennelijk is voor politici dissidentie achteraf geoorloofd, maar op het moment suprème uit den boze.
Het is aan te bevelen dat voorlichters, wiens werk draait om het geschreven en gesproken woord, ook persoonlijk affectie hebben met het uiten van meningen.
|