Omar Ramadan.nl


Home > Artikelen
Home
Over Omar
Tweede Kamer 2002
PvdA-Amsterdam 2003
Dromen
Artikelen
Forumarchief
Contact

"Kabinet Kok rommelt maar wat aan met privatiseringen", in Parool, 11 november 1999.

Print dit artikel Het kabinet neemt beslissingen om al dan niet te privatiseren steeds meer uit de losse pols. Volgens Omar Ramadan, politicoloog en lid van het PvdA-bestuur, mist het huidige debat op het Binnenhof helderheid. Er is geen behoorlijke afweging tussen efficiënte bedrijfsvoering en maatschappelijke rechtvaardigheid.

HET ONTBREEKT politiek Den Haag aan argumenten om de ene overheidsdienst wel te privatiseren en de andere niet. Enige rode draad in het paarse beleid is niet te ontwaren. De energiesector doet men in de uitverkoop, maar de waterzuivering blijft overheidseigendom. In de sociale zekerheid wilde het kabinet, volgens inmiddels al weer achterhaalde plannen, de toekenning van uitkeringen in publieke handen houden, terwijl de daadwerkelijke uitbetaling privaat moest plaatsvinden.

De Nederlandse Spoorwegen zijn enkele jaren geleden op een privaat spoor gezet, maar rangeren nu weer richting overheid. De voorbeelden zijn legio. Het zou geen kwaad kunnen als de ministers, Annemarie Jorritsma van Economische Zaken voorop, eens een poging waagden de argumenten te ordenen. Men zou dan leren dat de twee belangrijkste argumenten ten faveure van privatiseren zich louter beroepen op efficiëntie.

Ten eerste is daar de gedachte dat de overheid heden ten dage onvoldoende vermogens bezit om het uitgebreide scala aan publieke diensten effectief aan te sturen. In de naoorlogse periode stond de rechtvaardiging van de uitdijende overheid nog buiten kijf.

Dit was ongetwijfeld het resultaat van de prestaties die veel regeringen in de westerse wereld boekten op het terrein van economische wederopbouw en politieke stabiliteit. De omvang van de overheid en haar efficiënte manier van functioneren waren op die manier boven elk dispuut verheven.

In de jaren zestig en zeventig leidde economische neergang en politieke onrust tot het plaatsen van vraagtekens bij de effectiviteit van het uitgebreide overheidsgezag. Ronald Reagan en Margaret Thatcher beantwoordden deze verwarring in de tachtiger jaren met een neo-liberaal idee.

Hieruit werd het plan geboren dat overheden in moderne samenlevingen over onvoldoende capaciteit beschikken om publieke diensten efficiënt te beheren. De overheid had, zo zei men, in een race om de kiezersgunst zichzelf te veel taken aangerekend, en kon nu geen van haar functies meer effectief uitvoeren.

De Angelsaksische wereldleiders hadden kennelijk Nobelprijswinnaar Friedrich Hayek gelezen, die zijn The Road to Serfdom cynisch opdraagt aan alle socialisten, maar afslanking van de staat predikt.

Een tweede argument ten behoeve van privatisering legt uit waarom de markt wel over voldoende potentieel beschikt om voormalige overheidsbedrijven effectief te runnen. De redenering komt erop neer dat vadertje staat geen weet heeft van commercie, wat funest is voor de effectiviteit. De overheid lijkt als verantwoordelijke eigenaar zich geen enkele moeite te getroosten om klanten te werven. En dat is logisch wanneer je weliswaar elektriciteit, gezondheidszorg en onderwijs levert, maar niet afhankelijk bent van de voldoening van cliënten om de boel draaiende te houden.

De inkomsten via belastinginning blijven toch wel binnenstromen, en de overheid heeft een monopolie op de levering van deze producten. Maar de markt benut het dynamische karakter van de consumptiecultuur.

Terwijl de overheid zich te veel richt op het zorgen voor behoeftebevrediging, gaat de obsessie van de markt nu juist uit naar het ontdekken van nieuwe verlangens.

De criticasters van privaat initiatief bij overheidsdiensten staren zich niet blind op efficiëntie, waar de markt monopolie op pretendeert. Hoewel er overtuigende bezwaren zijn tegen de rooskleurige verhandelingen over privatiseren, hebben de belangrijkste nadelen van een marktgang met rechtvaardigheid te maken. Een niet onbelangrijk onderwerp voor Haagse politici.

Een argument tegen privatisering is dat tegenover de winnaars van het spel van vraag en aanbod er onvermijdelijk ook verliezers zijn. De verliezers zijn al die burgers die niet beschikken over een handelsgeest. Zij zijn niet in staat om munt te slaan uit de nieuwe mogelijkheden die geprivatiseerde overheidsdiensten bieden.

Uiteraard profiteert de kruidenier op de hoek ook van degenen onder ons die geen koopjesjager van nature zijn, maar daar zijn de negatieve uitwassen van marktwerking nog te overzien.

Een miskoop bij de aanschaf van nieuwe sportschoenen is vervelend, afgezet worden door een tweedehands autoverkoper is ellendig, maar de consequenties van een miskoop in het private ziekenhuis of op de geprivatiseerde school zijn vele malen ernstiger.
Het 'wisselen' van een cardioloog is aanzienlijk moeilijker dan de concurrerende schoenenwinkel bezoeken. Met een gang naar de markt van haar eigen bedrijven neemt de overheidsafhankelijkheid van private kapitaalaccumulatie desastreuze vormen aan. Rick van der Ploeg, destijds nog voornamelijk hoogleraar in de economie, heeft wel eens geprobeerd om het wel en wee van privatiseren uit te leggen als een uitruil tussen effectiviteit en rechtvaardigheid.

De latere politicus had daarbij te veel oog voor het eerste, maar hij maakte die keuze gefundeerd en inzichtelijk. Helaas mist het huidige debat op het Binnenhof helderheid. Er is geen heldere afweging tussen efficiënte bedrijfsvoering en maatschappelijke rechtvaardigheid.

De productie van andere zaken dan essentiële goederen kunnen in zo'n heldere afweging geprivatiseerd worden. Een staatsbedrijf voor mobiele telefoons kan immers effectiever worden door concurrentie. Maar de leverantie van een basispakket, waar iedereen in een fatsoenlijke samenleving recht op heeft, mag niet worden onderworpen aan de grillen van de markt.

Geen geprivatiseerde gezondheidszorg dus; ook niet een beetje door werknemersvoorrang en privé-klinieken. Dergelijke afwegingen zijn de ministerraad echter volkomen vreemd.

Het kabinet, waarbinnen ook staatssecretaris Van der Ploeg een deel van het pluche bezet, lijkt beslissingen om al dan niet te privatiseren louter afhankelijk te maken van met welk been - het linker of het rechter - de voormannen van PvdA en VVD s'morgens het bed verlaten.

Omar Ramadan is politicoloog en lid van het landelijk partijbestuur van de PvdA.

Trein tussen Delft en Schiedam. FOTO HANS SPRUIJT

Bekijk reacties (0) Post reactie

Home   Mijn account