"Referendum over verdrag zinvol", in Parool, 15 juni 1997.
Print dit artikel
Er is een wetmatigheid die stelt dat terwijl politici terughoudend reageren op vernieuwende voorstellen, wetenschappers meestal het omgekeerde plegen te doen. Dat is niet meer dan logisch; het politieke bedrijf wordt maatschappelijk afgerekend op haar handelen, maar de wetenschapper geniet de spreekwoordelijke academische vrijheid. Ik vermoed dat Erik Jurgens (Het Parool van 2 juni) zowel als politicus als wetenschapper naar het idee van een referendum over het Verdrag van Amsterdam heeft gekeken. Jurgens vroeg zich af of een raadplegend referendum over het Verdrag van Amsterdam wel zinvol is.
Het eerste bezwaar dat Jurgens uit, is gebaseerd op zijn eigen ervaring in het comité dat opriep tot een referenum over de vorming van een Stadsprovincie. Terwijl dit besluit burgers in tal van aan Amsterdam grenzende gemeenten aanging, konden slechts de Amsterdammers stemmen. Dat is jammer, vindt Jurgens, en terecht. De vergelijking met de oproep om er wel een te houden is dat ook de uitkomsten van de komende Eurotop meer burgers aangaan dan alleen de Nederlandse. Idealiter zou er dan ook een referendum op Europees niveau moeten plaatsvinden. Dat zijn echter verre toekomstdromen, waar we nu niets aan hebben.
Volgende week vindt de EU-top plaats en luttele maanden daarna zal het parlement beginnen met ratificatie. Er is echt geen tijd meer om in alle landen van de unie de (grond)wet zo aan te passen dat er een Europees referendum uitgeschreven kan worden. De suggestie om dit meteen op de top te regelen, is niet realistisch.
De tweede reden die Jurgens noemt om terughoudend te zijn in het houden van een referendum over het Verdrag van Amsterdam, is dat dit voortborduurt op 'Maastricht'. Het in de Limburgse hoofdstad gesloten verdrag kwam minder tegemoet aan een democratisch Europa dan het komende verdrag. Het gevaar bestaat, aldus Jurgens, dat door 'Amsterdam' weg te stemmen we opgezadeld blijven met de minder vooruitstrevende overeenkomsten uit het Verdrag van Maastricht. Tsja, dat is nou eenmaal een politiek risico bij het streven naar vooruitgang en verbetering. Anders kun je nooit op je principes staan, en zul je als een burgemeester in oorlogstijd continue water bij de wijn moeten doen.
Een derde bezwaar is dat het niet kan ! Volgens Jurgens 'is de Tweede Kamer niet bevoegd te beslissen tot een raadplegend referendum'. Dit is echter misleidend; men zou de indruk kunnen krijgen dat de grondwet naar aanleiding van onze oproep aangepast zou moeten worden. Niets is minder waar. 'Wat het raadplegend referendum betreft, was de commissie-Biesheuvel van oordeel dat de Grondwet deze vorm van het referendum toelaat,' aldus de Memorie van Toelichting bij het laatste wetsvoorstel de grondwet te wijzigen.
Het laatste bezwaar van Jurgens is zijn vrees dat de invoering van een bindend of correctief referendum op nog meer oppositie zal stuiten als het volgt op een spoedige invoering van een raadplegend referendum. Net als bij zijn vrees terug te vallen tot 'Maastricht', vind ik ook hier dat men best op haar of zijn principes mag staan. Oppositie tegen referenda en andere vormen van directe democratie blijven altijd wel, of het nou uit liberale, christen-democratische of sociaal-democratische hoek is. Bovendien zou je ook kunnen stellen dat een minder verstrekkend raadplegend referendum mensen - en dan met name politici - al laat wennen aan het verdergaand correctief referendum.
Mijn algemene kritiek op huiverige reacties van mensen die koud-water-vrees hebben bij het houden van en oproepen tot referenda, is dat zij dienen te staan voor hun principes. Als men van mening is dat de burgers gehoord moeten worden, dat het volk moet beslissen, dat wij, met andere woorden, streven naar een zo democratisch mogelijke inrichting van onze maatschappij, dan moet men die opvatting ook overtuigd uit te dragen.
Het voorbeeld dat Jurgens aanhaalt van de arbeiders die aan het begin van deze eeuw streden voor een achturige werkdag is typerend. De bestaande situatie was er één van twaalf uur ploeteren, de regering stelde tien voor, en de vraag was wat te doen. De vergelijking is treffend: we hebben 'Maastricht', 'Amsterdam' biedt de regering ons aan, maar wat we willen is meer, namelijk een volksraadpleging over dergelijke belangrijke besluiten, los van de vraag over er voor of tegen gestemd zou moeten worden.
Een correctief referendum is te ver weg, maar het blijft niettemin een ideaal om naar te streven; een achturige werkdag zeg maar. Om toch twee uurtjes minder te werken gaan we echter ook akkoord met een tienurige werkdag; het raadplegend referendum. Ik hoop dat zij die dromen van een achturige werkdag - het correctief referendum - met ons mee strijden, om langzaam maar zeker ons ideaal te bereiken. Dat is de arbeidersbeweging tenslotte ook gelukt.
Omar Ramadan is politiek secretaris van de Jonge Socialisten in de PvdA (JS).
|
|