"Paars moet kiezen: markt of democratie", in Parool, 6 juni 1997.
Print dit artikel
De confessionelen lijken weg te kwijnen in de oppositiebankjes en door Nederland schijnt een frisse wind te waaien. Efficiency lijkt het motto dat paars bindt. Het is echter de vraag of deze koers niet botst met democratische verworvenheden, aldus Omar Ramadan, politiek secretaris van de Jonge Socialisten in de PvdA.
Het lijkt wel alsof de paarse coalitie het woord efficiency zelf heeft uitgevonden, zo vaak wordt het gebezigd in de parlementaire debatten, ministeriële nota's en wetsvoorstellen van het kabinet. De vruchten van de marktwerking moeten vooral niet geschuwd worden, luidt het credo.
Nu is daar weinig tegen in te brengen. Natuurlijk is efficiency een groot goed en uiteraard dienen vruchten geplukt te worden, of de markt ze nu voorbrengt of dat ze voortkomen uit een andere voedingsbodem. Maar terwijl men vruchten plukt en efficiency hoogtij laat vieren, moeten politici ervoor waken niets te vertrappen. Vooral politici van sociaal-democratische huize zouden zich deze zorg moeten aantrekken: zij komen traditioneel op voor de verworpenen en vertrapten der aarde.
Aan de wortel van de prachtige boom die vruchten als efficiency voortbrengt, liggen democratische verworvenheden. Het is voor het vertrappen hiervan dat gewaakt moet worden. Niet in de laatste plaats omdat vruchten als efficiency hun bloei danken aan democratische wortels.
Op verschillende terreinen lijkt de overheid haar handen terug te trekken en zich te onthouden van bemoeienis. Vaak gaat een dergelijke politiek vergezeld van de gedachtengang dat een terugtredende overheid betere marktwerking betekent. Dat is ook zo, althans op de korte termijn. Een vinger in de pap van de overheid kan frustrerend zijn voor het spel van vraag en aanbod. Maar meer marktwerking op bijvoorbeeld de woningmarkt betekent niet alleen hogere efficiency, het heeft ook minder inspraak van huurders tot gevolg.
Het is niet alleen bij de volkshuisvesting dat het huidige kabinet een ideologie van meer markt en minder democratie lijkt te verkondigen. Ook op de universiteiten, normaliter vrijgesteld van de waan van de dag uit politiek Den Haag, is de frisse paarse wind te voelen. De afschaffing van de universitaire democratie mag dan misschien leiden tot colleges van bestuur die snel en efficiënt beslissen, ze leidt ook tot verminderde inspraak en betrokkenheid.
Deze afname van inspraakmogelijkheden is in onze gehele maatschappij te merken. Instellingen zoals ziekenhuizen hebben niet langer een gekozen bestuur dat de leiding heeft, bovenaan de hiërarchie staat het management. Dit heeft tot gevolg dat de top niet langer waarden als het streven naar consensus en het relativeren van de eigen positie binnen de instelling uitdraagt. De 'hoge heren' prediken zelfredzaamheid en efficiency.
Door te grijpen naar de vruchten van de effectiviteit vertrapt men vaak democratische verworvenheden. Dit zou voldoende reden moeten zijn om af te zien van (of in ieder geval nog eens stil te staan bij) het doorzetten van de politiek van een terugtredende overheid. Het is tijd om een principieel standpunt in te nemen en het democratisch gehalte mede te betrekken in de parlementaire afwegingen.
Nu zullen er politici zijn die dit níet overtuigt. Zij zullen niet wakker liggen van het privatiseren van overheidsbedrijven zoals de Nederlandse Spoorwegen. Het zijn politici die geen belang hechten aan het afschaffen van de inspraakstructuren voor het personeel; ze maken zich geen zorgen om de vrijheid van het nieuwe management.
Maar zelfs deze politici, die kennelijk een visie hebben van de democratische rechtsstaat die stopt bij de poorten van het Binnenhof en niets van doen heeft met democratie op de arbeidsvloer, moeten gaan opletten. Hun geliefde efficiency en marktwerking zouden wel eens radicaal anders kunnen uitpakken in een situatie waarin de overheid zover is teruggetreden, dat de markt niet langer werkt. Om het spel van vraag en aanbod waardevolle kwaliteiten als efficiency te laten voortbrengen, moet het spel namelijk gereguleerd worden.
Kijk naar de interne markt van de Europese Unie: wat zou die zijn als de landsgrenzen gewoon waren opengegooid? Zonder instellingen die toezicht houden op de Europese markt zouden volksgezondheid, milieuvriendelijkheid en tal van andere zaken waaraan wij hechten met voeten worden getreden.
Bovendien zou van efficiency weinig terechtkomen zonder de stimulans tot gezamenlijk onderzoek van Franse en Duitse bedrijven, zonder de gezamenlijke aanpak van concurrentievervalsing door Britse en Spaanse overheden, zonder supranationale instellingen die monopolievorming tegengaan. Een efficiënte markt heeft een regulerende overheid nodig.
Maar eigenlijk is dat slechts praat voor de die-hard kapitalist. Een land als Nederland zou gezien het afnemende democratische gehalte al 'om' moeten zijn. We moeten stilstaan bij het zien van semi-particuliere ziekenhuizen, die meer en meer lijken op NV's met aandeelhoudersvergaderingen en in niets meer lijken op democratische organisaties met inspraak van personeel en patiënten.
De keuze op de universiteiten tussen enerzijds gelikte raden van toezicht, die blinken door het imago van de president-directeur van menige multi-national, en anderzijds rommelige universiteitsraden, die de stem moeten winnen van student en personeel, is gemakkelijk. Beter inefficiënt maar democratisch, dan snelle besluitvorming in een hiërarchische structuur.
Volkskrant-redacteur Hans Wansink schreef op 23 september in zijn krant: 'Waar het om gaat is het recht van iedereen, sterk en zwak, op compleet burgerschap, op het auteurschap van je eigen leven, op keuzemogelijkheden om je eigen leven in te richten.' Dit complete burgerschap brokkelt hoe langer hoe meer af bij de jacht op de vruchten van de markt.
Omar Ramadan is politiek secretaris van de Jonge Socialisten in de PvdA (JS).
Voorjaar 1994: het paarse kabinet-Kok in de Trèveszaal bijeen voor zijn eerste vergadering. FOTO DIJKSTRA
|
|