"PvdA moet pal staan voor sociale zekerheid", in Parool, 4 februari 1997.
Print dit artikel
De Partij van de Arbeid verzuimt ten onrechte een principieel standpunt in te nemen bij de discussie over de modernisering van ons stelsel van sociale zekerheid, vindt Omar Ramadan, voorzitter van de PvdA-afdeling Amsterdam en van de Jonge Socialisten. De PvdA zou hierin juist een unieke kans moeten zien om zichzelf te profileren.
Al geruime tijd woedt in ons land een discussie over de aanpassing van de sociale zekerheid. Helaas wordt dit debat niet altijd even fundamenteel gevoerd en lijken procenten en andere details de boventoon te voeren.
Het recente gekrakeel tussen de coalitiepartijen over de aantasting van het minimumloon biedt echter de mogelijkheid hier verandering in te brengen. Een origineel en vernieuwend standpunt zou aan de voet kunnen staan van een alternatieve kijk op de sociale zekerheid in haar geheel. Met name de Partij van de Arbeid is deze rol op het lijf geschreven.
Vorige week stuurde PvdA-minister Ad Melkert van sociale zaken en werkgelegenheid een voorstel naar de Tweede Kamer, dat erop neerkomt dat langdurig werklozen een baan moeten aanvaarden waarvoor het loon maximaal twee jaar zeventig procent van het minimumloon kan bedragen (Het Parool van 29 januari).
Het gemierenneuk tussen de drie coalitiepartners liet uiteraard niet lang op zich wachten. Terwijl VVD-leider Frits Bolkestein begon te jubelen over een permanente verlaging van het minimumloon en D66 zei zich niet te kunnen vinden in de vrijstelling voor kostwinners en alleenstaande ouders, steeg de PvdA het schaamrood naar de wangen. Met minister Melkert voorop wrongen de sociaal-democraten zich in allerlei bochten op zoek naar een legitimatie voor dit paarse compromis. De coalitiepartners werd direct duidelijk gemaakt dat dit de uiterste grens is.
En zo is nu al één van de thema's voor de komende verkiezingen bekend. We zullen tot mei 1998 murw worden gebeukt met uitzonderingsregels en dispensatieregelingen, maar een fundamentele discussie over bijvoorbeeld het minimumloon zal ontbreken. En dat terwijl dit onderwerp zich er uitstekend voor leent, zeker voor een partij als de PvdA.
Bolkestein, het moet gezegd worden, maakt wel duidelijk waar hij staat. De liberaal stelt dat werk moet lonen, wat in zijn stelsel van opvattingen betekent dat de prijs van arbeid uitsluitend op de markt bepaald moet worden. Een minimumloon dat hoger ligt dan de geldsom die een werkgever in het ongelimiteerde spel van vraag en aanbod over heeft voor een werknemer, is in deze redeneertrant onaanvaardbaar. De aanhangers van het economisch liberalisme verafschuwen storende invloeden van niet-economische aard, zoals een politiek bepaald minimumloon en de VVD-leider doet dat dus ook.
De PvdA moet haar kans grijpen en duidelijk maken dat zij hierin hemelsbreed verschilt met de liberalen. Zij zou, zeker met het partijcongres voor de deur, het standpunt kunnen uitdragen dat de markt ons in deze kwestie nu eens níet de wet voorschrijft. Langdurige werkloosheid is inderdaad een ramp, maar oplossingen in de vorm van een baan die geen uitzicht biedt op een zelfstandig bestaan, zijn ronduit schandalig.
De toeslagen die Bolkestein in gedachten heeft voor mensen die een baan moeten aanvaarden onder het minimumloon, zijn ongewenst. Deze leiden er namelijk toe dat steeds meer werkenden de gang naar de sociale dienst moeten maken.
Er zijn alternatieven. De belangrijkste daarvan is een verschuiving van de lasten op arbeid naar die op kapitaal en vooral op belasting van het milieu en verbruik van natuurlijke energiebronnen. Dit zou een stokpaardje moeten zijn van politici van sociaal-democratischen huize.
Maar er is meer. In het PvdA-rapport Sociale zekerheid bij de tijd, dat Karin Adelmund, de beoogde nieuwe voorzitter van de PvdA, heeft geschreven over de modernisering van de sociale zekerheid, wordt de invoering van een Participatiewet bepleit. Die zou het onder meer mogelijk maken mensen te belonen die nu nog onbetaalde, doch maatschappelijk nuttige arbeid verrichten. Dit voorstel staat linea recta tegenover het dictaat van de markt als de enige richtlijn voor de prijs van arbeid.
Wat de sociaal-democratie dan ook te doen staat, is dit voorstel zonder voorbehoud uitdragen. Dat betekent dus dat de reserves tegen dit plan, die de PvdA nu nog (terwille van de coalitiepartners?) bereid is in acht te nemen, resoluut van de hand gewezen moeten worden.
Het gaat hier ten eerste om de maximumduur waaraan het recht op beloning in het kader van de voorgestelde Participatiewet nu nog gebonden is. Indien we zeggen dat we ons drukker maken om de sociale aanvaardbaarheid van het beleid dan om de mate waarin het 'marktconform' is, dan moeten we dat ook ongegeneerd doen. Een maximumduur stellen aan beloning op arbeid die maatschappelijk nuttig is, maar niet scoort op de vrije markt, past hier niet in. Vrijwilligerswerk blijft ook na het verstrijken van een arbitrair bepaalde beloningsperiode nuttig voor de samenleving.
Het tweede compromis waartoe de PvdA bereid lijkt, betreft de toelatingscriteria voor de Participatiewet. Hoe kan men zonder schaamte enerzijds stellen dat arbeid integratiefactor nummer één is en anderzijds verkondigen dat een uitkeringsinstantie, of organisatie voor arbeidsbemiddeling mensen moet gaan beoordelen, voordat zij toegelaten worden tot de voorzieningen van die wet?
Betekent dit niet dat uitkeringsgerechtigden, herintredende vrouwen en anderen getaxeerd worden op hun vermogen het spel van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt mee te spelen? Want dan praten we niet langer over de maatschappelijke relevantie of het sociale nut van arbeidsverrichtingen - onderwerpen waarmee we ons zouden kunnen onderscheiden van de liberale gedachtengang - maar richten we ons toch naar het dictaat van de markt.
Wil de PvdA in de toekomst nog langer serieus genomen worden als de vertegenwoordiger van een politieke stroming die sociale zekerheid in het vaandel voert, dan dient zij op te houden met haar vluchtgedrag en het fundamentele debat aangaan. En in dat debat moet zij de sociale zekerheid niet presenteren als een vervelende en geldverslindende correctie op het marktmechanisme, maar als een uitdrukking van maatschappelijke solidariteit.
Omar Ramadan is voorzitter van de afdeling Amsterdam van de Jonge Socialisten in de PvdA (JS).
Minister Melkert FOTO MARTIJN BEEKMAN
|
|