"Rotterdam kan ook van Amsterdam leren", in de Volkskrant van 28 februari 2006.
Print dit artikel
Ook al bejubelt het kabinet de Rotterdamse aanpak, toch doet Amsterdam het vaak beter, concludeert Omar Ramadan.
Het kabinet bejubelt Rotterdam en verkettert Amsterdam. Dat is niet terecht. In veel opzichten kunnen ze aan de Maas nog wat leren van de hoofdstad. Het kabinet waardeert de Rotterdamse aanpak. Minister Donner rolt er een wietplantage op en prijst het verhalen van de kosten op de illegale kwekers. Zijn collega Verdonk looft het idee van de Rotterdam-code, en wil ook dat op straat Nederlands wordt gesproken. En de wens van het stadsbestuur aan de Coolsingel om kansarmen te weren uit achterstandswijken, wordt beloond met een heuse wet die de naam Rotterdam draagt. Over Amsterdam zijn de ministers minder te spreken. Dekker vindt het te gek voor woorden dat ze in de hoofdstad ook in dure wijken sociale huurwoningen wensen. Ze zal niet meemaken dat rijksgeld hieraan wordt besteed op de Zuidas. Collega Zalm dreigt datzelfde gebied financiën te onthouden als Amsterdam zijn aandelen Schiphol niet verkoopt. Het credo van Cohen 'de boel bij elkaar houden', wordt in de Trêveszaal belachelijk gemaakt.
Door het bejubelen van Rotterdam en verketteren van Amsterdam verhindert het kabinet dat beide steden van elkaar leren. Hoewel wezenlijk verschillend, hebben zij genoeg overeenkomsten om elkaars successen te kopiëren. Amsterdam doet dat al schoorvoetend. Zo introduceerde Rotterdam de stadsmarinier, een ambtenaar met een fiks mandaat van het stadsbestuur, die in probleemwijken misstanden aanpakt. Amsterdam-Noord volgt dit voorbeeld. De Maasstad stuurt gezinscoaches naar huishoudens, waar kinderen onvoldoende worden opgevoed. De bijstandsuitkering wordt gekort als de coach weigert. De hoofdstad heeft nu ook gezinscoaches, hoewel de dwang ontbreekt om die te accepteren.
Hoewel ze aan de Amstel dus voorzichtig van Rotterdam leren, gebeurt het omgekeerde niet. De ploeg van Balkenende en hun geestverwanten in het Rotterdamse stadsbestuur beschrijven de hoofdstad als een Sodom en Gomorra, waar andere culturen Nederlandse waarden verdringen, criminaliteit en overlast worden gedoogd en werkloosheid de normaalste zaak van de wereld is.
Maar niets is minder waar. Op allerlei fronten staat Amsterdam er beter voor dan Rotterdam. Zo kent Rotterdam 191 misdrijven per duizend inwoners, en Amsterdam 170. Bijna 11 procent van de Rotterdammers is werkloos, tegen 8 procent van de Amsterdammers. Na de economische recessie groeide het aantal vacatures in de hoofdstad weer rap, tot zo'n tienduizend per jaar. In de stad van Opstelten en Pastors komen ze amper tot de helft. Amsterdammers hebben per maand meer te besteden dan gemiddeld in Nederland, de allochtone Amsterdammers ook, zelfs als je de westerse expats niet meerekent. Al die cijfers liggen in Rotterdam onder het Nederlands gemiddelde. Zelfs de woningbouw, waar wethouder Stadig in de hoofdstad kritiek op krijgt, steekt gunstig af voor Amsterdam. In 2004 kwamen er daar 557 woningen bij, terwijl het er in Rotterdam 213 minder werden. De Rotterdamse achterstand wordt wel eens verklaard met moeilijk te veranderen gegevens, zoals de automatisering van havenwerk, met laaggeschoolde werklozen als gevolg. Maar ook de hoofdstad kent uitdagingen, zoals 65duizend Marokkanen, die te weinig scholing en werk hebben, waardoor een deel zich afkeert van de samenleving. Het aantal Marokkanen in de Maasstad is de helft.
Rotterdam kan ten minste drie dingen leren van Amsterdam. De eerste les is dat het loont om minima aan het werk te helpen. Amsterdammers die zich bij de gemeente melden voor een bijstandsuitkering, krijgen snel werk aangeboden. Bovendien wordt streng gecontroleerd op fraude, ook thuis. De afgelopen acht jaar nam zo het aantal mensen in de bijstand af met 35 procent. In Rotterdam bedroeg die daling maar de helft. Misschien dat met het weren van werklozen uit Rotterdamse achterstandswijken de daling doorzet, maar per saldo zijn mensen dan elders werkloos.
Een tweede les voor Rotterdam is dat sociale woningen lonen. Amsterdam heeft er hier en daar wellicht te veel, maar ze zijn wel bijna allemaal eigendom van semi-publieke corporaties. En die zorgen redelijk goed voor hun woningen. In Rotterdam zijn veel huurwoningen in particuliere handen. Huisjesmelkers vertimmeren hun panden, zodat een hoop immigranten en illegalen in een woning worden gestouwd. In de hoofdstad komt dat nauwelijks voor. Een trieste indicatie van deze verborgen wantoestand is dat het aantal uitgebrande woningen in de Rijnmond (688) een stuk hoger is dan in de andere grote steden.
De derde en belangrijkste les voor Rotterdam is dat investeren in risicojongeren en inburgeraars loont. Amsterdam koppelt jongeren die weinig goede voorbeelden hebben aan een vrijwilliger die hen coacht. Het project Goal kent inmiddels ruim 850 van dit soort mentoraten, meer dan waar dan ook in Nederland. Niet een professional maar een gewone Amsterdammer ondersteunt de jongere. Ook in inburgeraars wordt geïnvesteerd. Een nieuwe wet van Verdonk is in aantocht, waarbij allochtonen vooral zelf hun inburgeringles moeten betalen en gemeenten boetes opleggen als ze zakken voor hun examen. Amsterdam biedt inburgeraars nu al gratis taalles, en haalt het geld daarvoor deels uit Brussel. Zou Rotterdam ook kunnen doen.
Conclusie is dat Amsterdam het op veel vlakken stukken beter doet dan Rotterdam. En dat ze in de hoofdstad daarom niet alleen kunnen leren van de harde aanpak in de Maasstad, maar dat omgekeerd ook lessen opgepikt kunnen worden over investeren in mensen.
Omar Ramadan is senior adviseur bij Radar, bureau voor sociale vraagstukken, en werkt voor de gemeenten Amsterdam en Rotterdam.
|